Tagarchief: Maria

Spirituele Kerst slotbeschouwing 6 januari: neerdaling van de heilige adem (Epifanie)

Hieronder volgt de laatste beschouwing uit het boek Spirituele Kerst, handreiking voor bezinning en bezieling rondom Kerstmis en oud en nieuw.

De datum 6 januari wordt in de christelijke traditie gezien als het einde en ook als het hoogtepunt van de kerstperiode die begint met de kerstnacht van 24 op 25 december. De beschouwing van vandaag is dan ook de laatste van Lees verder

10 De begrafenis en de opstanding van Jezus, verhaal uit de kinderbijbel van Nita Abbestee.

Toen Jezus zijn aardse stoffelijke kleed had afgelegd en naar de mening van de mensen gestorven was, kwam nog laat in de avond een rijk en aanzienlijk man, Jozef van Arimathéa, bij Pilatus. Hij vroeg hem of hij het lichaam van Jezus van het kruis mocht afnemen om het te begraven. Pilatus gaf dadelijk zijn toestemming.

En Jozef van Arimathéa, die al heel lang trachtte een waardige volgeling van Jezus te zijn, kocht rein wit linnen om daarmee het aardse lichaam van Jezus zorgvuldig te omwikkelen.

Nu bezat Jozef van Arimathéa een prachtige, stille tuin. In een verre hoek daarvan, in een rotsachtig gedeelte, was een ruimte uitgehouwen die wel als graf zou kunnen dienen. Daarin legde hij voorzichtig het lichaam van Jezus neer en sloot de ingang af met een grote, zeer zware steen.

Enkele vrouwen, die Jezus zeer liefhadden, waren de eigenaar van de tuin op korte afstand gevolgd en zagen precies wat er gebeurde. Zij waren onuitsprekelijk bedroefd over alles wat hun geliefde meester overkomen was. Zij voelden zich geheel en al verlaten. Want zij meenden, evenals zo velen, dat hij werkelijk gestorven was en daarom besloten zij het enige voor hem te doen wat hen nog overbleef.

Toen dan Jozef van Arimathéa de tuin weer verlaten had, gingen ook zij naar huis en bereidden van kostbare kruiden heerlijk geurende zalven. Die wilden zij Jezus brengen als een laatste groet; als een laatste bewijs van hun liefde voor hem, opdat een lieflijke geur hem zou blijven omringen.

De volgende dag was het sabbat en konden zij niet gaan. Volgens de joodse wetten mocht men dan niets doen. Maar de daaropvolgende dag, ‘op de eerste dag van de nieuwe week’ gingen zij bij het eerste morgenlicht met hun kruiken vol geurige zalven op weg naar de stille tuin.

Zo vroeg in de morgen, dachten zij, zou niemand hen opmerken en konden ze ongestoord hun werk verrichten. Maar hoe schrokken zij toen ze daar bij het graf enkele Romeinse soldaten vonden, die de wacht hielden.

Want zij wisten niet dat enkele overpriesters en Farizeeën, die gehoord hadden waar het lichaam van Jezus heengebracht was, tegen Pilatus hadden gezegd: ‘Wij dachten er opeens aan dat deze Jezus, toen hij nog leefde, zei dat hij drie dagen na zijn dood weer tot leven gewekt zou worden. Dat geloven wij natuurlijk helemaal niet. Maar het zou wel kunnen dat zijn discipelen zijn lichaam stilletjes wegnemen en ergens anders verbergen. En dat zij daarna aan iedereen gaan vertellen en bewijzen, dat hij werkelijk uit de dood is opgewekt! Daarom vragen wij u dit graf te laten bewaken tot na de derde dag, zodat er niets kan gebeuren!’

Pilatus wilde deze geschiedenis het liefst zo snel mogelijk van zich afschudden en gaf dadelijk toe. ‘Hier hebt u een wacht; ga heen en verzeker het graf naar uw beste weten’, zei hij. Zo kregen dus de overpriesters en Farizeeën een paar soldaten mee naar de hof van Arimathéa. Drie dagen moesten zij daar de wacht houden, zodat niemand het graf kon binnengaan.
Daardoor kwam het, dat de beide vrouwen hun kruiken vol geurige zalven niet konden brengen en dat bedroefde hen natuurlijk zeer. Verslagen stonden zij daar enkele ogenblikken, terwijl de soldaten hen wantrouwend bekeken.

Maar plotseling, toen zij elkaar fluisterend vroegen wat zij nu moesten doen, begon de aarde onder hun voeten te beven. En, zo zegt ons de heilige taal, ‘Een engel van de Heer daalde neer uit de hemel, wentelde de steen voor de ingang van het graf weg, en ging daar op zitten. Zijn uiterlijk was licht en zijn klederen waren als sneeuw.’

Wij mogen dit zo begrijpen, dat vanuit het koninkrijk van God een lichtende, reine kracht ingreep om de verblinde mensen te bewijzen wat zij niet wilden geloven. Door deze kracht werden de soldaten zozeer bevreesd, dat zij machteloos neervielen.

Maar tot het hart van de vrouwen klonken de woorden: ‘Wees niet bevreesd! Jullie zoeken Jezus, de gekruisigde, maar hij is hier niet! Want hij is opgewekt, zoals hij gezegd heeft. Kom en zie waar Zijn lichaam gelegen heeft, en ga terstond op weg en zeg zijn discipelen dat hij is opgestaan uit de dood. En zie, hij gaat u voor naar Galiléa; daar zult u hem zien! Zie, ik heb het u gezegd!’

Toen de vrouwen gezien hadden dat alleen nog het linnen in de uitgehouwen ruimte lag, gingen zij dadelijk in grote vreugde en blijdschap heen. En zij haastten zich voort, om het aan allen te vertellen die de meester liefhadden. Zij geloofden de woorden van de engel zonder ook maar enige twijfel. En zie, toen zij al een heel eind op weg waren, kwam Jezus zelf hen tegemoet.

‘Wees gegroet!’ sprak hij. Verheugd vielen de vrouwen voor hem neer om hem te aanbidden. Maar Jezus sprak: ‘Weest niet bevreesd! Ga heen en bericht mijn broeders dat zij naar Galiléa gaan. Daar zullen zij mij zien!’
Overgelukkig met de opdracht van de meester spoedden de vrouwen zich daarna verder, tot zij enkele broeders ontmoetten.  ‘Luister,’ riepen zij uit. ‘Onze Heer Jezus Christus is waarlijk opgestaan! Hij leeft en komt naar jullie. Ga naar Galiléa, daar zal hij tot jullie komen!’ En zij die deze boodschap hoorden, waren zeer, zeer verheugd!

Toch waren er enkelen die het bijna niet durfden te geloven. Zij wilden zelf onderzoeken of het graf  werkelijk leeg was. Daarom gingen zij eerst naar de hof van Arimathéa waar zij, evenals de vrouwen voor hen, alleen het linnen in de uitgehouwen ruimte vonden. Maar Jezus de Heer ontmoetten zij daar niet. Daardoor werd hun twijfel weer sterker.

Twee van hem begaven zich naar Emmaüs, een zeer klein dorpje, niet ver van Jeruzalem. En natuurlijk bespraken zij onderweg het gebeurde van de laatste dagen met elkaar. Zonder dat zij het merkten, liep er geruime tijd iemand met hen mee, die naar hun gesprekken luisterde. Het was Jezus! Maar zij waren er zo zeker van dat hij dood was, dat zij hem niet eens opmerkten.

Zelfs toen Jezus tot hen begon te spreken, herkenden zij hem nog niet! ‘Wat zijn dit toch voor droevige gesprekken die ge voert?’ vroeg hij. ‘Waar heeft u het toch over?’ De mannen bleven een ogenblik stilstaan en keken verbaasd naar hun metgezel, die ze nu pas opmerkten. Toen antwoordden zij op sombere toon: ‘Bent u de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat u niet weet wat daar in de afgelopen dagen is gebeurd?’

‘Wat is er dan gebeurd dat u zo droevig stemt?’, vroeg Jezus opnieuw. Daarop vertelden zij hem van hun grote vriend ‘Jezus de Nazarener, een groot profeet, machtig in woord en werk voor God en het gehele volk.’ Zij vertelden hoe menigeen uit het volk gehoopt had dat hij hen zou redden van de Romeinse overmacht en hun koning zou worden.

Er klonk droefheid en verlangen in hun stemmen, een intens verlangen naar de heerlijke dagen, toen hun heer en helper nog bij hen was en hen met zijn liefde en wijsheid omringde! Te weinig hadden zij gebruik gemaakt van die heerlijke tijd. Te weinig hadden zij acht geslagen op zijn woorden, wanneer hij sprak over zijn terugkeer naar het Koninkrijk van God! En nu waren zij verslagen en vroegen zich telkens opnieuw af, wat hij gezegd had en hoe hij het bedoeld had.

En nog merkten zij niet dat het Jezus zelf was, die daar naast hen ging, zo waren zij verdiept in hun smart om zijn schijnbaar heengaan. En zij vertelden verder, hoe enkele vrouwen in de vroege morgen vol vreugde bij hen waren gekomen en hadden gezegd dat zij het graf leeg hadden gevonden. Dat een engel tot de vrouwen gesproken had. Dat hij was opgestaan en leefde! Ja, dat zij hem hadden gezien en gesproken!’

Zij eindigden hun verhaal met te vertellen, hoe zij zelf ook waren gaan kijken en alles vonden, zoals de vrouwen het zeiden. Maar de geliefde meester zagen zij niet en dat had hun harten vervuld met grote droefheid en twijfel.

Geduldig hoorde Jezus hun droeve woorden aan. Maar toen zij eindelijk zwegen, sprak hij:  ‘O onverstandigen en tragen van hart! Waarom hebben jullie toch niet geloofd wat de profeten van oudsher gezegd hebben? Zij verkondigden immers al dat dit met de Christus gebeuren moest, opdat hij in grote heerlijkheid zou opstaan en zegening aan alle mensen zou brengen!’ En hij legde hen uit wat de oude profeten met hun woorden bedoeld hadden.

De mannen luisterden. Zij waren vol verbazing, dat deze vreemdeling al die dingen wist. Maar … toch herkenden zij hem nog niet. Al pratend en luisterend naderden zij het dorp Emmaüs en Jezus wilde afscheid nemen en verder gaan.

Maar omdat het al donker werd, zeiden de mannen: ‘Blijf toch bij ons! Zie, de avond daalt en straks zijn alle wegen duister.’ Zo ging Jezus met hen naar binnen. En toen de maaltijd klaarstond, ging hij met hen aan tafel. Toen nam Jezus het brood en brak het in stukken. En nadat hij er de zegen over had uitgesproken, reikte hij het hun aan…

En zie, op datzelfde moment brak het Licht door in hun harten en werden hun ogen geopend. Zij herkenden hem. Wat een vreugde! Nu waren hun harten gerust! De geliefde meester leefde waarlijk!

Plotseling was het helder en klaar voor hen dat Jezus Christus, de zoon van God, onmogelijk door mensenhanden gedood zou kunnen worden! Zij begrepen niet dat zij ook maar een ogenblik hadden kunnen twijfelen. En even onopgemerkt als Jezus op de weg bij hen was gekomen, verdween hij weer uit hun midden …

Deze geschiedenis is misschien wat moeilijk te begrijpen. Wij moeten echter wel bedenken dat Jezus, als Gods zoon, van zijn Vader alle macht had gekregen in de hemel en op aarde. Dat wil zeggen dat hij de macht bezat om overal waar hij dat nodig vond, zichtbaar te verschijnen.

Hij kon welbewust van alle stoffen en krachten in de hemel en op aarde gebruik maken. Daardoor kon hij dus ook zichzelf een zichtbaar stoffelijk lichaam verschaffen om tot de mensen op aarde te kunnen spreken.

De twee discipelen keerden zo spoedig mogelijk naar Jeruzalem terug. Hun harten waren vol van hun ontmoeting met Jezus en zij haastten zich naar de overige discipelen om alles te vertellen. Terwijl de anderen hun opgewonden woorden aanhoorden, verscheen Jezus ook daar in hun midden.

Opgetogen hadden zij geluisterd naar het verhaal van hun vrienden, maar nu Jezus daar werkelijk voor hen stond, schrokken zij toch wel erg. Zij konden haast niet geloven dat het waar was!

Jezus zag de verschrikte blik in hun ogen en de twijfel in hun harten en hij voeg: ‘Waarom schrikken jullie toch zo? En waarom komt er twijfel in jullie harten op? Zie mijn handen en mijn voeten en betast mij. Dan zullen jullie bemerken dat ik een werkelijk echt mens ben van vlees en beenderen!’

Hun blijdschap keerde terug toen zij zijn woorden hoorden. En om hun geloof volledig te maken, vroeg hij: ‘Hebben jullie hier iets voor mij te eten?’ Ja, natuurlijk, dat hadden zij! En toen hij voor hun ogen al het eten opat, was alle twijfel uit hun harten verdwenen.

Hun harten waren nu weer volkomen open! Nu kon hij ook hun verstand verlichten. En zij begrepen alles wat door de profeten in het Oude Testament geschreven was. En wat in de Psalmen stond over Christus, over zijn machtig werk voor wereld en mensheid, over zijn kruisgang en zijn opstanding uit de dood.

Zij voelden zich rijk gezegend, dat zij dit nu allemaal duidelijk mochten verstaan. En nog groter werd de vreugde van hun harten, toen Jezus vertelde dat al deze wonderbare dingen over de gehele wereld verteld moesten worden en dat zij daarmee mochten beginnen. En alles waardoor en waarmee God de Vader zijn zoon had geholpen en gezegend, droeg Jezus nu over aan zijn volgelingen, opdat zij zouden werken zoals hij gewerkt had.

Afbeeldingen: William Hole

Tekst: Jeugdbijbel van Nita Abbestee

Het Romeinse proces voor Pontius Pilatus en de kruisiging en begrafenis van Jezus. De hoofdstukken 81, 82 en 83 van Het evangelie van de heilige twaalven

Toen brachten zij Jezus van Kajafas naar de rechtszaal, naar Pontius Pilatus, de stadhouder. Het was vroeg in de morgen en zelf gingen zij de rechtszaal niet binnen, opdat zij niet verontreinigd zouden worden en het paasfeest konden vieren.

Pilatus ging naar hen toe en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’

Zij antwoordden: ‘Als hij geen booswicht zou zijn zouden wij Lees verder