Beschouwing gebaseerd op de verhandeling over de opstanding, de brief aan Rheginus van Valentinus

Er is een onmetelijk verschil tussen de met verstand toegeruste mens en de ziel-geboren mens. De ziel-geboren mens bezit een perspectivische diepte en een zielekracht die de natuurgeboren mens niet kan bezitten.

Hoe is dat mogelijk? Omdat het zwaartepunt van de zielgeboren mens niet langer wortelt in het uiterlijke, aan tijd en ruimte gebonden waarden. Door vele louteringen heeft deze de werkelijkheid van de natuur leren onderscheiden en zich daarvan vrijgemaakt. Hij heeft de waarheid van het Paulinische woord leren kennen:

Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. (Kor. 14)

Het is niet de zintuiglijke, de sterfelijke mens die wordt verlost van kwaad, schuld, dood, maar het is de geestelijke mens die wordt bevrijd uit de banden en gevangenschap van de zintuiglijke wereld.

De waarheid zoekende mens verlegt daarom het zwaartepunt in zijn leven. Dat ligt niet louter in de handhaving van het eigen wezen maar in de vrijmaking en de bouw van het geestelijke lichaam, de geest-zielengestalte. Daarheen gaat zijn aandacht, daarin ligt de reden van zijn existentie, zijn vrede, zijn levensaccent. Het natuurlijke leven met zijn tegenstellingen doorziet hij en hij zal alles aanwenden zich daaruit vrij te maken.

Wanneer nu de mens zijn verstandelijke vermogens in overeenstemming daarmee gaat aanwenden en benutten dan eerst mag en kan worden gesproken over redelijkheid, van een hoge rede die niet langer de handhaving van de sterfelijke persoonlijkheid dient, maar de nieuwgeboren levende zielegestalte. Dan eerst is de voorwaarde geschapen voor een werkelijke opstanding; de opstanding uit het graf van een van de Geest afgesloten natuur.

Blijft de mens staan in zijn natuurgeboorte met een verdergaande ontwikkeling van het verstandelijke denken, dan zal tenslotte blijken dat dit vermogen in plaats van een grandioze mogelijkheid tot menswording tot zijn tegendeel gaat verkeren. Hierop wijst de gnosticus Valentinus in zijn verhandeling over de opstanding:

Er zijn mensen, mijn zoon Rheginos, die veel wensen te leren. Dat is hun doel, wanneer zij zich verdiepen in vraagstukken, waarvan de oplossing ontbreekt; en wanneer zij die vinden, hebben zij en hoge dunk van zichzelf. Ik geloof echter niet, dat zij zich op de basis van het Woord-der-Waarheid hebben geplaatst, daar zij veeleer hun rust zoeken, die wij ontvangen hebben van onze Verlosser, de Christus, en wel, toen wij de Waarheid hebben leren kennen, en daarin onze rust vonden.
 
Maar daar je ons vriendelijk vraagt, wat met betrekking tot de opstanding juist is, schrijf ik je, dat zij noodzakelijk is, hoewel er ongetwijfeld velen zijn, die te haren opzichte ongelovig zijn, en slechts weinigen die haar vinden. laat ons er daarom over spreken!

Hoe heeft de Heer daarvan gebruik gemaakt, toen Hij in het vlees was en zich heeft geopenbaard als Zoon-van-God? Hij is rondgegaan op deze plaats waar jij verblijft en sprak over de wet-van-de-natuur (die ik echter ‘de-dood’ noem). Maar de Zoon-van-God was ook de Zoon-des-mensen. Hij omvatte hen beiden, daar hij zowel de menselijke als de goddelijke staat bezat, opdat Hij enerzijds de dood zou overwinnen, als Zoon-van-God, en opdat Hij anderzijds door de Zoon-des-Mensen het herstel tot in het Pleroma, dat is de Volheid Gods, zou plaatsvinden, daar Hij als hoogste-zaad-der-waarheid bestond, toen de huidige structuur van de wereld nog niet tot aanzijn was gekomen! Daarin kwamen vele heersers en godheden tot stand.

Valentinus spreekt hier tot zijn zoon Rheginos, dat is de mens die het mysterie van de opstanding tracht te doorgronden en nu door Valentinus wordt onderwezen.

Rheginos is de leerling, de mens die, zoals blijkt uit zijn naam tot het koningschap Gods wordt geroepen. Ieder mens draagt zo, als Zoon-des-Mensen, het kindschap Gods in zich. Maar dit kindschap moet worden bewezen en worden vrijgemaakt, opdat de eenheid met het Pleroma, met de Bovennatuur werkelijkheid zal worden!

Het zaad-der-waarheid bevindt zich, zo maakt Valentinus duidelijk, als monadisch principe in het hart van de microkosmos. Verborgen, onbereikbaar voor de lichamelijke, de natuurgeboren en verstandelijke mens, maar niettemin als een geestelijke erfenis aanwezig!

En de vraag die Valentinus stelt is: is dit, wat volkomen vrij is van de vergankelijke materie van onze natuur, al in ons geboren en groeiende? Is er reeds sprake van een eeuwigheidsbeleving in de tijd? Is er een geloof, dat is: een verstaan, en aanvaarden en en verwerkelijken van dit alles? Plaatst de mens zich op het ‘woord-der-waarheid’, opdat er zal zijn een emanatie, een uitvloeiing van geestkracht?

Valentinus stelt dit nadrukkelijk aan het begin van zijn verhandeling over de opstanding: de opstanding wordt niet gevierd door de natuurmens, ook niet met een gecultiveerde verstandelijkheid. Daarmee is zeer veel narigheid, een tegen-natuur tot ontwikkeling gebracht. Het is een wereld waarin ‘onwetendheid’ heerst; een wereld van ‘dwaling die geen wortel heeft’, waarin vele heerschappijen en godheden de mens dirigeren en beheersen. De mens wordt door deze krachten en machten begoocheld en in de ‘dwaling’ vastgehouden! En Valentinus vervolgt zijn verhandeling.

“Ik weet dat ik nu de oplossing van moeilijke dingen uitspreek, maar in het woord-van-de-waarheid is NIETS moeilijk! De oplossing werd openbaar, opdat niets verborgen zou blijven, maar alles onthuld wordt met betrekking tot het ‘Zijn’ – enerzijds de opheffing van het kwaad, anderzijds de openbaring van het hogere – dit is de emanatie van de Waarheid, en van de Geest, en uit de Waarheid is de Genade!

De Verlosser heeft de dood verslonden – je moet daarover, Rheginos, niet in onwetendheid blijven -, want Hij heeft de vergankelijke wereld prijsgegeven, veranderde zichzelf in een onvergankelijke Eoon en heeft Zichzelf verheven, na het zichtbare door het onzichtbare te hebben verslonden, en schonk ons de weg van de onsterfelijkheid. Toen hebben wij, gelijk de apostel zei: met Hem geleden, wij zijn met Hem opgestaan, en met Hem ten hemel opgevaren.”

Wat bedoelt Valentinus met ‘de Verlosser?’ Met dit woord plaats hij ons in onze realiteit, in het heden van vandaag. Wanneer Paulus zegt: ‘Wij lijden met Hem, om de dood te overwinnen, en daarom zullen wij met hem opstaan en zullen met Hem het Hemelse, de Bovennatuur, binnengaan’, dan geeft hij daarmee aan dat ieder mens in de sporen van de Vérlosser kan treden en de vergankelijkheid prijs dient te geven om de onsterfelijkheid te winnen.

Zo maant Hermes zijn zoon Tat om ‘zijn tent op te rollen’, zich vrij te maken van de ketenen van het lichaam, op te staan uit het graf van de vergankelijke natuur waarin de ziel gevangen is.

Wie bereid is zich te ontdoen van dit kleed, dat hem gevangen houdt in de wereld van de materie, waarom vorm en ordening volkomen ontbreekt? Zulk een mens is een verlosser; hij maakt de weg vrij voor allen die nog in het kleed van de onwetendheid gewikkeld zijn en zoeken naar licht en waarheid.

“Hij is een weg geworden voor hen die dwaalden, kennis voor hen die onwetend waren, een vondst voor hen die zochten, een versterking voor hen die sidderden, onbesmetheid voor hen die bezoedeld waren.”

“Wanneer wij ons in deze wereld openbaren, terwijl wij Hem (dat is de hogere, de nieuwe mens) dragen, zijn wij Zijn stralen, en worden door Hem omgeven, totdat wij ondergaan door onze dood in dit leven. Wij worden dan hemelwaarts getrokken door Hem, als de stralen door de Zon, zonder door iets weerhouden te worden! Dit is de geestelijke (de werkelijke) opstanding, die zowel het psychische als het vleselijke verslindt!”

Valentinus wijst, met betrekking tot de Opstanding, op de noodzaak van de wording van een hogere, nieuwe mens. De wederkomst Christi heeft betrekking op het vrijkomen en het zich bewijzen van deze nieuwe mens, in het nu, zij het nog omvat door de stoffelijke, natuurlijke gestalte.

Hoe wordt nu de ziel vrijgemaakt van haar gebondenheid aan de sterfelijke natuur? Met andere woorden: kan de ziel worden gereinigd van de condities die onze natuur haar heeft opgelegd? Kan zij weer ademen in het Geest- en Lichtveld van de Christus? Daarin is een zuiver spiritueel brandpunt, en de activiteit van dat brandpunt bepaalt de vrijmaking van de ziel. Dit brandpunt is verbonden met een deel van de microkosmos. Het is het nog latente geestelijke zonneprincipe, waarvan Christus het eeuwige stralende centrum is.

“Dat gestalte aanneemt in het “Woord” (Logos), dat van het Pleroma uitgaat, dat in het denken en bewustzijn van de Vader is en welke de “Redder” wordt genoemd, daar dat de Naam is van het werk dat Hij zal verrichten tot verlossing van hen die de Vader niet kenden.”

Wanneer een mens, door dit geestelijke brandpunt in het hart gedreven, een aanvang gaat maken met deze bevrijdingsarbeid en zijn voeten zet op die weg, dan wordt dit geestelijke beginsel , mystiek aangeduide, ‘aan het kruis gehecht’ , het kruis dat de mens zelf vormt. Dit kruis is dan niet een symbool van lijden en sterven, maar het kruis van de overwinning, van de Verlosser. Daar ligt de betekenis van de evangeliën, van de gevonden gnostieke teksten, van de onafgebroken werkzaamheid van de vele groten in de eeuwen die achter ons liggen; zij allen gingen ons voor op deze kruisweg, het pad van verlossing. Zij konden daardoor anderen helpen, werkelijk helpen, essentieel helpen.

Wanneer nu, onder leiding van het geestelijke brandpunt in het hart de ziel is vrijgemaakt van haar aardgericht- en gebondenheid, en haar gewaad weer smetteloos is geworden, getooid als een bruid, kan op Golgotha, de hoofdschedelplaats, in het heiligdom van het hoofd, de overwinning worden gevierd. Dan geschiedt wat een tempelied (152) van het Rozenkruis zo diepzinnig vertolkt:

“Uit het eeuwig Moederwezen breekt het godskind (de Vérlosser) vrij,
En in glans van Isis klinkt het lied zo blij.
Dankt Osiris-Isis liefde, die het Al vervult,
Die als wondermantel ons omhult.”

De mysteriën openen zich als een innerlijk beleven, niet door studie, niet door kennisname van intellectuele bronnen, maar als een beleven. Dan verenigt het negatieve, het ontvankelijke aspect in het hart Isis/Maria/Mater zich met het Flamma, met Osiris,de Christusgeest; en de vrucht van beide, de Zoon, Horis, openbaart zich – Materia: een sprankelende nieuwe werkelijkheid toont zich.

De bron van Levend Water is wederom geopend. het Woord, de Logos, dat spreekt in de mens. Het is de aanvang van de Opstanding! De nieuwe innerlijke mens ademt en leeft in het onvergankelijke Licht van de Gnosis.

Hoe vangt nu dit gehele proces aan? Valentinus geeft daarop in de Rheginos-brief het volgende antwoord.

“Als er iemand is, die niet gelooft, dan is er geen mogelijkheid om hem te overtuigen. Want dit alles heeft betrekking op het gebied van het geloof, en niet op dat van de overreding. Hij die dood is, zal opstaan.”

Dit antwoord herinnert ons aan de woorden uit het evangelie : door het geloof, al is het nog zo gering in de aanvang, kunnen bergen worden verzet. Maar dit geloof ontvlamt niet door overreding, door teksten of gepraat; het ontvlamt door straling, wanneer althans het hart daarvoor ontvankelijk is en gevoelig is.

De rozenkruisers kennen het symbool van de trigonum igneum – de vlammende, vurige gelijkzijdige driehoek. Symbolen hebben een veelheid aan betekenissen, ze kunnen op vele verschillende vlakken van het bewustzijn worden begrepen.

De trigonum igneum verbeeldt onder andere drie vuren, die bewustzijnsvuren die betrekking hebben op het geloof. Eén vuur wordt ontstoken in het hart; één vuur in het hoofd, en er is één vuur dát opvlamt in het scheppende, verwerkelijkende leven, in de concrete daad.

Het eerste vuur is het vuur van de Geest, de Christusgeest, dat primair het hart treft. Dit vuur wekt de mens uit zijn begoochelingsvolle leven, uit zijn diepe onwetendheid; het verontrust hem, het brandt hem als een Nessoshemd. Dit louterende vuur achtervolgt een mens, drijft tot bezinning, tot inzicht. Het verbreekt tenslotte de harde bolster van uiterlijkheid en van volgzame zelfvoldaanheid en maakt ruimte voor een tweede werkzaamheid van het vuur, na het zuivere inzicht; de navolging Christi, het leven in overeenstemming met de wet die in het hart werd geschreven door het eerste vuur. Dan gloort aan de kimmen van ons leven een nieuw Licht, dat niet langer uiterlijk en bedrieglijk is, maar innerlijk en zeker.

De levenspraktijk die op die innerlijke wet stoelt, reinigt de ziel, weeft het gewaad van de ziel. een nieuw zielenleed, dat betreft: het bewustzijn, het zenuwstelsel, het slangenvuur, de interne secretie (de hormoonklieren) die zulk een belangrijke rol spelen in de levensprocessen, en tenslotte het bloed, zij gaan getuigen van het nieuwe Licht dat werd geboren; zij verliezen de typische kenmerken van het afgescheiden, het zichzelf handhavende leven. En deze nieuwgeboren ziel, staat nu, als een nieuw licht, een nieuwe ster, te stralen boven de grot waarin de Verlosser, die het Licht der wereld wordt genoemd, wordt geboren, de geboortegrot …. het hart, uw hart, mijn hart!

Het Licht der wereld wordt niet gevonden in geschriften, teksten, hoe schoon ook; wanneer wij ons daaraan vastgrijpen dan kennen we het Licht alleen van horen zeggen; het zal moeten worden vrijgemaakt in levende mensen, in mensenharten, nu, in dit heden. Daarin lag de grootheid van Valentinus, ieder letter van hem bekend getuigt daarvan.

Het was de zending van de velen die na hem kwamen in de Pisces-era, en die, dikwijls onder zware verdrukking, hun bloed gaven voor de verwerkelijking van de Christus-essentie. De mysteriën, zij zijn openbaar geworden en zij stellen hun opgave aan de mensheid die nu de Aquarius-era binnentreedt.

“Want wij hebben de Zoon-des-Mensen leren kennen en wij hebben geloofd dat hij is opgestaan uit de doden, en hij is het van wie wij zeggen, dat hij de vernietiging van de dood geworden is.”

“Begrijp daarom niet ten dele, Rheginos, en leef niet naar dit vlees – ter wille van de Eenheid maar bevrijden je uit de banden van de verdeeldheid en je hebt de oplossing al bereikt! Want hij die sterven zal en van zichzelf weet dat hij zal sterven – wordt, zelfs wanneer hij (nog) vele jaren in dit leven doorbrengt, toch naar de dood gevoerd. Waarom beschouw jij jezelf dan niet als al opgestaan en daarheen gevoerd?

Wanneer je de opstanding hebt, maar je toch blijft gedragen alsof je zult sterven – hij weet toch dat hij al gestorven is (naar de uiterlijke en vergankelijke wereld) – waarom anders dan wegens je ongeoefendheid tolereer ik dat? Ieder moet zich (op vele wijzen) oefenen en hij zal losgemaakt worden van de uiterlijke wereld, opdat hij niet zal dwalen, maar zichzelf ontvangt als degene die hij tevoren was.”

Valentinus geef met deze woorden aan dat het gaat om een proces; een levenspraktijk van vallen en opstaan. Het is vooralsnog door zijn ongeoefendheid dat de leerling faalt. Hij verwart schijn en werkelijkheid, laat zich verleiden door de begoochelingen en de zuigkracht van de zintuiglijke wereld. Door nu zijn hart, zijn bewustzijn gericht te houden op wat zich innerlijk als een welriekende Roos ontvouwt in de verlichtende en stralende kracht van de Gnosis, zal hij er procesmatig door worden opgetrokken, als de stralen door de Zon, hemelwaarts, zonder door iets weerhouden te worden!

Daarom stelt Valentinus in het Evangelie der Waarheid:

“Ziet toe op u zelf. Besteedt geen aandacht aan andere dingen, die u van u afgeworpen hebt. Keert niet tot uw uitbraaksel terug om het weer op te eten. Wordt niet door de motten en wormen verteerd, want ge hebt het reeds afgeschud. Weest geen woonplaats voor de duivel, want ge hebt hem reeds te niet gedaan.

Bron: De bronnen van het innerlijke christendom, symposionreeks 2004.

Bronnen van het christendom over de opstanding 600

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *