De kruisgang naar de hoofdschedelplaats Golgotha, artikel van Jan van Rijckenborgh uit het Tijdschrift Pentagram

Wat is het kruis van Jezus voor de mens die het pad van de roos en het kruis wil gaan? Zouden de antwoorden op deze vraag, wanneer ze aan diverse kandidaten gesteld worden, volkomen gelijkluidend zijn? Zouden zij getuigenis geven aan een klaar en helder, van-binnen-uit beleefd inzicht?

Er zijn redenen om er ernstig aan te twijfelen. Jezus Christus stelde dergelijke vragen dikwijls aan zijn leerlingen en uit de antwoorden bleek vele malen, hoezeer hun inzicht gebroken en verdeeld was.

Als men moeilijkheden heeft met de een of ander, dan zucht men het uit: ‘Ach, wat een kruis heb ik te dragen!’ In het zelfmedelijden stromen de tranen rijkelijk. Als de hartstochtelijke drang van het ik op de een of andere wijze wordt gedwarsboomd, wil mijn zijn ervaringen als een kruisgang mystificeren.

Anderen breiden de armen uit en zeggen: ‘Zie mij aan, ik ben het kruis en ik ga nu dit kruis tot de overwinning stuwen. Ik heb daartoe de macht, want zijn in mij niet verzonken de zeven mogelijkheden, de zeven krachtcentra, de zeven klieren met interne secretie? Zie, ik hang ze als zeven rozen rondom het hart van het kruis en ik zal ze laten bloeien en doen geuren als kostelijke nardus en zo zal ik mijn opstanding vieren. Broeders en zusters, doe als ik – mogen de rozen bloeien op uw kruis!’

Er zijn er ook die ons vertellen, hoe Jezus Christus, door zijn bloedoffer voor wereld en mensheid de gehele sfeer van onze planetaire kosmos gezuiverd en geheiligd heeft en hoe wij nu, door deze reddingsprocedure, kunnen opgaan op het pad naar boven.

Deze visie staat dan heel dicht naast die van onze orthodoxe broeders en zusters, die zich geheel en al instellen op het geloof, dat Christus ons van al onze zonden verlost heeft en daarvoor betaald heeft; hoe Hij een eeuwige zaligheid voor ons gearrangeerd heeft en dat wij ons, geheel en al rustig, aan zijn liefdehart kunnen toevertrouwen.

De orthodoxe broeder grijpt zich dan daarbij vast aan zijn kerk, of aan zijn Bijbel. De esoterische broeder aan zijn geestesschool, zijn zinnencentra en zijn hormoon-producerende organen.

Op talloze wijzen wordt en werd het kruis gegrepen en begrepen, romantisch, symbolisch, esoterisch en realistisch. In overeenstemming met onze aanleg zoeken wij in de wenteling van de jaren contact met bepaalde aanzichten, om ons ermee te narcotiseren en zo gaat ons leven heen, om te eindigen zoals het begonnen is. Daarom is het niet zonder zinte vragen: wat is het kruis van Jezus voor de kandidaat op het pad?

Er moet in de veelheid van de ideeën, in de wieling van de kruisaanzichten, iets essentieels gevonden worden, iets ‘waar het om gaat!’ Er moet een kernidee zijn, een eeuwige zekerheid. Wat hebben we aan het stichtelijke, het mystieke, het romantische en het speculatieve? Het bevredigt voor een moment. Het geeft even een stimulans, een stemming, en daar blijft het bij.

In een radeloze en razende wereld hebben wij wat anders nodig. U moet u niet meer met stemmingen narcotiseren. Dat is een beschavingsmisbruik. Het is de witte pleistering van de grafkuil vol leugen en bederf.

De kandidaat moet een werkelijkheid grijpen en deze werkelijkheid dagelijks beleven, deze werkelijkheid dagelijks zijn. Dan komt hij de stemmingen en de speculaties te boven. Dan zijn de heilsfeiten brandpunten in zijn eigen leven geworden en zijn het geen mystieke climaxmomenten meer, waartoe hij zich meditatief opheft. Begrijpt u waar het om gaat?

Nu is het zo, dat we de Bijbel grijpen en gaan lezen hoe het is met goede vrijdag en wat het golgothagebeuren bedoelt. U getuigt niet uit uw eigen wezen. U laat de Bijbel niet uit uw hartebloed spreken, doch u bekijkt de Bijbel met een esoterisch vergrootglas en u wilt het levensgeheim aan de universle leer ontstelen. Zo bedriegt u uzelf en anderen. Als men u vraagt: wat is het kruis van Jezus voor u? en u geeft antwoord, dan is duidelijk uit uw antwoord te vernemen of u spreekt van binnenuit, van een bezit uit, dan wel of u de Bijbel napraat met een daaruit gedestilleerde idee.

Allen die de schat van binnen bezitten, verstaan elkaar en weten zich deelhebbers van de grote broederschap van de mensen, die niet van deze wereld is. Zij beleven de goede vrijdag in een dagelijkse bediening en zij ondergaan het golgothagebeuren als een innerlijk proces. En daarvan willen wij u in dit artikel spreken. Niet met de bedoeling uw ideeënrijkdom te vergroten, want daar hebt u geen behoefte aan, doch om, zo mogelijk, u bewust te maken van uzelf.

Het kan gebeuren in een mensenleven, dat door het spreken van één woord door de ander, het is alsof een deur voor ons bewustzijn wordt weggeschoven en we ineens klaar en duidelijk gaan zien en herkennen. Dat is het doel van dit artikel en allen die ons woord niet anders kunnen verstaan dan weer een idee en weer een visie, geven wij de raad: bevrijd uzelf daarvan, want u hebt er niets aan. Het is niets anders dan ballast.

Er stond boven het kruis een opschrift: ‘Jezus de Nazarener, de koning van de joden’. Wat betekent dat? U denkt: de historische figuur, de Jezus Christus, die inbreekt in de tijd tot heil van de mensen. Doch Jezus de Nazarener is zeker niet de historische Christusfiguur.

De evangelien zijn geen historische verslagen en geen jaartallenboekjes. Zij zijn processen en methoden van de Jezus-ingang in de mens. Als we de evangeliën zo zouden kunnen verstaan, zouden ze zeer bevrijdend voor ons kunnen zijn.

De aanduiding ‘Jezus de Nazarener‘ vestigt onze aandacht letterlijk op een reddend, heilbrengend deel, een straal van het universele Christusbewustzijn dat bij ons, in de kandidaat, woning moet maken. Vandaar dat het opschrift spreekt van ‘koning van de joden’. Wij lezen dus: ‘het heilbrengende, reddende deel van de koninklijke leeuw’.

Het evangelie put zich niet uit om u te doen verstaan hoe het de historische Jezus Christus verging, doch op welke wijze iets van het universele Christuswezen bij u kan instromen, tot uw eeuwig heil.

Daarom moet het u duidelijk zijn dat wij geen mystieke dompeling maken naar aanleiding van een drama van 2000 jaar of daaromtrent geleden, doch dat wij dit heilsfeit als intelligente mensen vlak voor ons plaatsen en ons instellen op goede vrijdag. Wij stellen ons in op het heden. Laat de massa zich doodstaren op het onbegrepen verleden – wij willen het heden!

Wanneer de kandidaat het pad van de Christusmysteriën gaat, komt er een moment waarop zich, naast zijn dialectische persoonlijkheid, in zijn microkosmische levensveld de groeiende hemelse en ware persoonlijkheid plaatst. Het is de aanvangende Jezusingang in ons ademveld: de geboorte.

Eerst nog als een kind, hulpeloos en in doeken gewonden. De zwarte vijand zoekt hem nog te doden, doch als de kandidaat alle hem dreigende gevaren weet te doorstaan, komt ook het ogenblik, dat voor hem vervuld wordt het woord: ‘En hij, de hemelse mens, dragende zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha.’

Jezus de Nazarener, de hemelse mens, de oorspronkelijk door God bedoelde, één takje van de hiërarchieke levensboom, één opnieuw gegroeid twijgje aan de afgehouwen tronk van Isai, nadert nu uit het ademveld de dialectische niet-in-god-begrepen aardse persoonlijkheid, om zich daaraan gevangen te geven, aanvangende bij het hoofdheiligdom – de hoofdschedelplaats.

‘Alwaar zij hem kruisigden en met hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden’. Om de bedoeling van deze drievoudige kruisgang te doorgronden, dienen we wijsgerig verlicht te worden uit de universele leer, die correspondeert met onze herinnering.

Toen de mens in het grijze verleden de godswetten schond en daardoor zijn binding met de Godsorde verloor, verloor hij tegelijkertijd zijn drievoudige hemelse gestalte, bij wijze van spreken als door een vreselijke explosie.

In de Godsorde kan het zondige, het verziekte, het tegennatuurlijke niet voortwoekeren als  een kanker. De orde van de Levensboom wordt niet bewogen door tegenstellingen. Alles wat niet-verlicht is, alles wat tegen de wet van het licht ingaat, explodeert, verpulvert, wordt door de lichtwet direct en volstrekt ontbonden. Door deze volstrektheid houdt de wereld van de Godsorde zichzelf in stand en alles wat zich niet harmonisch tot deze wereld verdraagt stort als een meteoor, als een vurige vlam omlaag.

Toen deze ramp ons trof, was daar alleen onze centrale geestkern. De takken, de twijgen van de levensboom, die waren afgehouwen en verbrand. Maar de centrale geestkern, die zich in de oersubstantie bevindt, moet zich openbaren, moet zich uitdrukken in gestalten, moet een drievoudig instrumentarium bezitten.

Zo moest na de val, na dit ontledigd zijn naar de lichaamsgestalte, de mens zich moeizaam opnieuw een drievoudige woning bouwen, doch nu niet begrepen naar het licht, doch naar de tegenstelling van het licht, naar de dialectica.

En nu, nu zijn wij gevangen in een drievoudige gestalte, die in alle opzichten niet die is van de oorspronkelijke mens. Toch is deze gestalte, die wij nu zo koesteren, een eeuwigheidsgestalte, doch een eeuwigheidsgestalte waaraan de dood vreet.

Een deel van ons sterft, doch slechts een deel. Voort gaat het wiel – en het gestorvene ontvangen wij opnieuw van onze ouders, om daarna weer te vergaan. U kent dit leven en u weet van zijn onvolkomenheid en van zijn verrotting en zijn wanhoop.

De jeugd blikt nog met verlangen in het toekomende, maar die blik verdoft en verlangt eenmaal niets meer van deze hellevaart. Zo zijn wij gevangen in de tijd, die al een eeuwigheidswiel rondwentelt, zonder ophouden.

Gode zij dank is daar het goddelijk bemoeien en de heilige geest van het al. Daar is de Christushiërarchie, die uit het onbeweeglijk koninkrijk tot ons afdaalt en die ons wijst hoe wij te redden zijn uit de staat van de gevallenheid. De reddingswet culmineert hierin, dat wijzelf bereid moeten zijn het kruis op ons te nemen, om het te dragen naar de hoofdschedelplaats.

Er was één, die ons dit proces heeft voortgeleefd en voorgeleden tot aan de glorieuze opstanding. Na hem waren er velen, die in zijn voetstappen, eveneens de kroon van de overwinning mochten smaken. En zij die het pad van transfiguratie willen gaan, worden uitgenodigd dezelfde via dolorosa te volgen.

Wat is dat voor een proces? Op de afgehouwen tronk van Isaï moet een nieuw rijsje groeien. De centrale geestkern moet, op de basis van de herinnering, de oorspronkelijke mens tot reconstructie, tot wedergeboorte brengen. Hij doet dat uit water en geest.

Dat is de genade van God, die werkelijk alle verstand te boven gaat. Dat is de sprakeloos makende liefde van God, die ons in onze hellevaart de oorspronkelijke oersubstantie van de levensboom , van het Onbeweeglijk koninkrijk komt reiken, opdat wij zo de oorspronkelijke hemelse gestalte drievoudig zouden kunnen voorbereiden in de microkosmos.

rozen opstandingZo komt het moment, reeds door zoveel zieners aanschouwd, begrepen en onbegrepen, dat er twee wezens zijn, uitgaande van de ene centrale geestkern: de hemelse en de dialectische mens, tezamen door het leven trekkende als een Gemini – als een tweelingpaar – met strak gespannen boog mikkende op het lichtland.

Maar dat is de kruisgang niet. de kruisgang komt op een psychologisch moment, wanneer de voorbereidingen alle zijn volbracht. Dan worden de twee zo tegengestelde wezens aan elkaar gebonden, aanvangende op de hoofdschedelplaats, het hoofdheiligdom, de zetel van het denkvermogen. Dan geeft de hemelse mens zich volledig gevangen aan de dialectische. Waarom?

Om de dialectische mens opnieuw, en nu voor de laatste maal, ten dood te voeren, een volstrekte dood. Niet van een deel van de dialectica, doch geheel en al. Structureel wordt de hemelse mens, die niet van deze wereld is, in de dialectische mens ingebouwd, in drie processen, in drie dagen. aanvangende op goede vrijdag, eindigende op zondag, de dag van de dagen, de morgen van de verrijzenis. En het einde is het volledig verdwijnen van het dialectische, de wederopstanding van de ware mens. de terugkeer in het onbeweeglijk koninkrijk.

‘En zij kruisigden hem met twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.’ Als Jezus de Nazarener aldus in de kandidaat vaart, dan moet, ten eerste, de duivel in ons worden gedood – het volstrekt zwarte, dat in ons woont – het absoluut ongoddelijke en volstrekt biologische, de waanzin van de waanwereld.

De tweede sterft, in volle vrede, de zoekende en zwoegende mens in ons, de lichtjager en de heimweemens, de hartstochtelijke verlangt naar bevrijding. Hij sterft in volle verzekerdheid, want het licht vaart in hem, het licht omknelt hem in zijn wijde liefde, hij is als stervende, juichende met hem in het paradijs. Jezus de Nazarener – de koning van de joden – hij is één met hem geworden.

Tekst: Artikel uit het tijdschrift Pentagram 1979, nummer 4 door Jan van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *