De laatste intocht van Jezus in Jeruzalem volgens de kinderbijbel van Nita Abbestee

In de grote stad Jeruzalem hadden de mensen al gehoord dat Jezus zou komen. Opgetogen en vol verwachting keken ze naar hem uit. Dichtbij de stad lag een berg die men de Olijfberg noemde.

Toen Jezus nu deze berg naderde, sprak hij tot twee van zijn discipelen: ‘Ga beiden naar het kleine dorpje daar, dat tegenover de Olijfberg ligt. Als jullie daar binnenkomen, zullen jullie een jonge ezel vinden, een veulen nog, vastgebonden aan een paal. Maak dat dier dan los en breng het hier. En als iemand vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: “De heer heeft het dier nodig en wij brengen het straks weer terug.”

De discipelen knikten en vertrokken. En zij vonden, precies zoals Jezus gezegd had, een ezelsveulen vastgebonden bij de ingang van het dorp. Terwijl zij het losmaakten kwam de eigenaar en vroeg: ‘Waarom maakt u dat veulen los? Het dier is toch niet van u?’

En de discipelen antwoordden zoals hun was opgedragen: ‘De Heer heeft het nodig. Straks brengen we het weer terug.’ Toen liet de eigenaar hen rustig gaan.

Zij namen het veulen mee en brachten het bij Jezus. Met hun mantels bedekten zij de rug van het dier en daarna hielpen zij Jezus om erop te gaan zitten. En zo trokken ze samen de stad binnen. Jezus zittend op het ezelsveulen en zijn discipelen eromheen geschaard.

Al van verre zag men de kleine stoet naderen. Er ging een gejuich op dat zich voortplantte langs alle hoofdwegen waar de mensen zich in drommen hadden opgesteld. Velen deden hun mantels af en spreidden die op de straat uit, als ware het een kostbare loper, die voor een koning werd ontrold.

2 laatste intocht van jezus in Jeruzalem William HoleAnderen plukten takken van de palmbomen langs de weg en van bloeiende struiken uit de tuinen. En zij zwaaiden en wuifden daarmee, alsof het evenzovele vlaggen en vaandels waren, waarmee een koning werd begroet. En toen hij in al zijn majesteitelijke eenvoud langs hen reed, riepen zijn discipelen die hem gevolgd waren en zij, die zich onder de mensen bevonden in opperste vreugde uit: ‘Gezegend hij die komt, de koning, in de naam van de Heer!. In de hemel is zijn Vrede en ere voor Hem in de hoogste hemelen! Hosanna!’

Het was één grote juichkreet die langs alle hoofdwegen weerklonk. Jezus trok onverstoorbaar rustig verder. Hij wist waarom hij Jeruzalem binnenkwam. Enige Farizeeën, die zeer geprikkeld waren omdat Jezus zo’n spontane ontvangt bereid werd, traden op hem toe en zeiden: ‘Meester, bestraf uw discipelen! De woorden die zij uitroepen, zijn ongehoord.’

En het antwoord van Jezus antwoord luidde: ‘Ik zeg u, indien deze mensen zouden zwijgen, zo zouden de stenen roepen. Want dit alles moet zo gaan!’

Terwijl de menigte juichte en door haar innerlijke blindheid het ware bedoelen van God niet begreep, was Jezus bedroefd. Niet om zichzelf of om het offer dat van hem gevraagd werd, maar om al die armen langs de weg, die meenden dat hij als een aardse koning over hen zou regeren, terwijl hij geen ander doel had dan hen naar het hemelse koninkrijk te voeren.

Afbeelding: William Hole

Tekst: Jeugdbijbel van Nita Abbestee

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *