De verlosser baant de weg, offert zich en draagt krachten over. Bevrijding en verlossing volgens de mysterieleer van mysteriescholen.

De ‘lichtvonken’, de in het zintuiglijke lichaam gevangen zielen van de mensen zouden niet in staat zijn de mysterieweg op eigen kracht te gaan. Hun ogen zouden te zwak zijn om het licht te herkennen, hun krachten te gering om zich van de boeien te bevrijden en de beproevingen op de weg te doorstaan. Daarom was er een verlosser nodig, die de weg mogelijk maakt. Aard en functie van deze verlosser worden door de gnostieke geschriften beschreven.

Hij heeft, of hij nu Jezus Christus genoemd wordt of anders, altijd twee dimensies: zoon van de mensen en zoon van God. Jezus is de menselijke gedaante van de verlosser, een mens die bewust met de wereld van de geest verbonden is en in de krachten van die wereld de mysterieweg voorleeft. Daarom is hij tegelijk de Christus, de met de krachten van de kosmische Geest gezalfde.

Deze krachten, die eveneens de naam Christus dragen, zijn in hem werkzaam. Zij zijn de Christus, de kosmische verlosser. In en met Jezus gaan ook de krachten van de kosmische Geest, de kosmische verlosser, de Christus, de mysterieweg en banen deze daardoor voor de mensheid.

Volgens de gnostieke mysterieleer is Jezus, de menselijke persoon van de verlosser, een wezen dat reeds in een geestelijk lichaam in de wereld van de Geest leefde, maar dat vrijwillig incarneerde om de mysterieweg te gaan. Hij nam een aards lichaam aan en gaf zich op die manier over aan de gevangenschap in de zintuiglijke wereld en schaduwwereld, waarin al de ‘zijnen’, de nog niet verloste lichtvonken, eveneens gevangen waren.

Jezus maakte een eind aan deze gevangenschap door zijn bijzondere krachten. Zijn ware zelf stond op in volle luister en hij bouwde een nieuw geestelijk lichaam op, in overeenstemming met dit ware zelf.

De verlosser, de mensenzoon, gaat de mysterieweg voor de ‘zijnen’, de lichtvonken. Hij baant op die manier voor hen de weg die zij ook zelf moeten gaan. Als zij de weg nog niet gaan, worden zij niet verlost en blijven in gevangenschap, daar waren de gnostieke mysterieleerlingen zich duidelijk van bewust.

Het doel van de mysterieweg is de herstelde binding met de Geest, de bewustwording van het ware zelf dat uit de Geest is en door de Geest wordt verlicht. In dit opzicht is het de opdracht van de mensenzoon-verlosser de mensen in te lichten over de ‘Vader’, de Geest, en hen tot besef van de Vader te leiden.

In de mensenzoon is de kosmische verlosser, ‘het Woord dat verlosser genoemd wordt’ werkzaam. De kosmische verlosser is het bewustzijn dat door de krachten van de kosmische Geest vervuld is. De kennis van de Geest heeft hierin een verlichtende functie. Dit bewustzijn is in Jezus in zijn volle omvang aanwezig: in hem werkt de Christus. En in alle mysterieleerlingen die hem navolgen, zal dit bewustzijn eveneens werkzaam worden, zodat de Christus ook in hen leeft.

Niet alleen Jezus, de mensenzoon, offert zich – doordat hij in Jezus de mysterieweg tot in alle consequenties meebeleeft, en hem daarna ook in alle andere mysterieleerlingen meebeleeft. In elke mens en in de hele mensheid offert het goddelijke licht zich voor de bewustwording van het ware zelf, en wordt het geofferd door de krachten die vijandig staan ten opzichte van het ware zelf. Maar juist daardoor wordt de opstanding van het ware zelf in ieder mens en in de gehele mensheid mogelijk.

De in stukken gehakte Osiris, het bewustzijn van de menselijke Geest, verdeeld in de zintuiglijke wereld, wordt weer tot een eenheid.

Het stoffelijke lichaam van Jezus werd inderdaad gekruisigd. Want over dit lichaam hadden de mensen van de zintuiglijke wereld macht. Maar deze kruisiging is slechts symbolisch voor een veel reëlere kruisiging die voortdurend plaatsvindt. Dat is de kruisiging, die de kosmische verlosser, het ‘Woord’, onophoudelijk in de mensheid ondergaat.

In de handelingen van Johannes staat daarover onder andere:
‘Zie in mij daarom de pijn van het Woord, het doorboren van het Woord, het bloed van het Woord, de verwonding van het Woord, het aanhechten van het Woord, de dood van het Woord.’

De mensen, in wie het ware zelf bewust en werkzaam wil worden doden, doorboren, verwonden, pijnigen en verminken dit ware zelf, waarin het Woord werkzaam is, onophoudelijk. Als zij er iets van gaan bemerken, laten zij het niet aan het woord komen. Zij spotten zelfs over deze levensmogelijkheid en verwerpen deze als irreëel. Of zij verraden het ware zelf ten gunste van hun aardse belangen en buiten het verlangen van het ware zelf naar leven uit, door het dienstbaar te maken aan hun belangen.

Zij maken de lichamelijke dood van de verlosser tot het beslissende punt, omdat zij hun stoffelijk lichaam daardoor als verlost kunnen beschouwen, en zij begrijpen niet dat ze juist daardoor de verlosser, het Woord, monddood maken. Het stoffelijke lichaam dat gekruisigd werd is niet het geestelijke, het werkelijke lichaam van de verlosser. Wat het stoffelijke lichaam lijdt, is daarom niet het eigenlijke lijden van de verlosser. Zijn lijden wordt veroorzaakt door het doden van het ware zelf.

De verlosser baant de weg voor de mysterieleerlingen, doordat hij zelf de mysterieweg gaat. In elke fase van de mysterieweg maakt hij de krachten vrij, die het zijn navolgers mogelijk maken, deze weg zelf ook te gaan. Deze krachten delen zich mee aan de navolgers via wegen in de gebieden van ziel en Geest, omdat zij alleen op dat niveau met de stichter van de mysteriën verbonden zijn.

De overdracht van krachten tijdens de verschillende fasen van de weg, werd door de gnostici ook met rituele namen aangeduid, en gedeeltelijk zelfs door riten aanschouwelijk gemaakt. Het Evangelie volgens Filippus spreekt over deze riten. Het zijn doop en zalving, avondmaal en verlossing en opstanding, evenals bruidsvertrek.

Maar de tekst laat er tegelijkertijd geen twijfel aan bestaan dat een rite op zich niets betekent. In het innerlijk van de mens moet zich reeds geestelijke kracht hebben gemanifesteerd, die door de rite bevestigd wordt.

In elke fase van de mysterieweg vinden deze krachtoverdrachten van de stichter op zijn leerlingen plaats. In de doop en de zalving roept de verlosser de mysterieleerling op tot de weg en verbindt hem met het ‘water’, waardoor de mysterieleerling zich in inzicht en berouw kan bevrijden van de bindingen aan de zintuiglijke wereld.

In het avondmaal, in de verlossing en in de opstanding baant de verlossr de weg voor de mysterieleerling. Want de verlosser schuift door de krachten van de Geest alle hindernissen in zijn eigen wezen, die de ontplooiing van het ware zelf in de weg staan, aan de kant. Hij verdraagt de consequenties die de mysterieweg in de zintuiglijke wereld oproept en bereikt zo bewustwording van het ware zelf. Deze zelfde krachten met dezelfde werkingen draagt hij aan zijn leerlingen over.

In het ‘bruidsvertrek’ ten slotte toont de verlosser zijn navolgers de Geest, de ‘Vader’, en stelt hen in staat zelf de Geest te leren kennen. Het ware zelf, de structuur van de Geest, treedt het bewustzijn van de leerling binnen: zijn ziel, de ontvangende bruid, wordt door de Geest, de bruidegom, doordrongen, en dan komt tot stand het ‘kind van het bruidsvertrek’, de verlichting, het inzicht.

Toen de duif op Jezus neerdaalde, na de doop in de Jordaan, was dat het ‘bruidsvertrek’ van de verlosser. Uit Jezus kwam de Christus voort. De ordening van de kosmische Geest (de ‘Vader van het al’) doordrong de individuele Geest in Jezus, het ware zelf. En de kracht van de kosmische Geest, de ‘maagd’, in de bijbelse symboliek voorgesteld als duif, doordrong de ziel van Jezus. Zij verenigden zich. Het werd licht in de mens, zijn ware identiteit, het ware zelf, kwam tevoorschijn. De mensenzoon was bewust en werkzaam geworden. En omdat zijn ware zelf de structuur van de kosmische Geest weerspiegelde, was hij ook de godszoon, de Christus,

De verlosser stelt iedere mysterieleerling in staat, aan het einde van zijn weg te ervaren wat hij hier ervaart. In elke mysterieleerling kan uit de geleidelijk nieuw ontstane ziel – de Heilige Geest – en de ‘Vader van het Al’, de verlichting tot stand komen, het inzicht, Jezus in hem, Christus in hem worden bewust en werkzaam. Dat zijn innerlijke processen die van buitenaf niet waarmee nemen zijn.

Het bruidsvertrek, het heilige huwelijk’, is de bekroning van de mysterieweg. Deze mysterieleerling kan vervolgens zelf, binnen het kader van zijn eigen mogelijkheden, kracht overdragen aan anderen. Hij wordt dan ook een verlosser. Iedere mysterieleerling is een geestelijke zoon van van de stichter van de mysteriën, de mensenzoon.

Bron: ‘Mysteriescholen’ van Konrad Dietzfelbinger

De verlosser volgens de mysterieleer van mysteriescholen 600

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *