Gebeurtenissen op de dag van Pinksteren, hoofdstuk 182 van Het aquarius evangelie

Toen nu de dag van het pinksterfeest was gekomen, was Jeruzalem vol met vrome joden en proselieten van vele landen. De christenen waren allen in volstrekte harmonie bijeen. En terwijl zij in stil gebed verzonken waren, hoorden zij een geluid als het verwijderd rommelen van een komende storm.

Een vlammend licht verscheen en velen dachten, dat het gebouw in brand stond. Twaalf bollen, die op vuurballen leken, vielen van de hemel – één bol voor elk teken van de gehele cirkel van de hemelen, en op het hoofd van iedere discipel verscheen een bol van vlammend vuur. En iedere bol zond zeven tongen van vuur hemelwaarts, en iedere discipel sprak in zeven talen.

Het onwetende volk dacht zeer luchthartig over hetgeen zij hoorden en zagen. Zij zeiden: Deze mannen zijn dronken en weten niet wat zij zeggen. Maar de ontwikkelde mensen waren verbaasd. Zij zeiden: Zijn deze mensen, die nu spreken, niet allen joden? Hoe is het dan mogelijk dat zij in alle vreemde talen spreken?

En Petrus zei: Gij mensen van Jeruzalem en gij die buiten de stadspoorten woont: Vrede zij u en aan de gehele mensheid. Dit is de tijd die de heilige mannen uit de oude tijd wensten te zien; door geloof zagen zij dit uur en nu staan zij bij ons in geestelijke verrukking. In de oude tijden vertelde de profeet Joël ons de dingen die gij nu ziet en hoort. De heilige adem sprak door zijn mond en zei:

En het zal geschieden in de laatste dagen, dat ik zal ademen op de mensenkinderen, en hen zal vervullen met zegeningen van heiliging. Uw zonen en dochters zullen naar voren komen en profeteren; uw jonge mannen zullen gezichten zien, uw ouden van dagen zullen dromen dromen. En ik zal wonderen tonen boven in de hemelen en wonderbaarlijke tekenen op aarde. 

Uit de hemel zullen geluiden voortkomen en er zullen stemmen gehoord worden, die de mensen niet zullen begrijpen. De zon zal ophouden te schijnen, de maan zal zijn als wadende in bloed, vóór de komst van de grote dag van de Heer. En het zal geschieden dat zij, die in geloof de naam Gods aanroepen, gered zullen worden.

Dit is de dag van Christus’ macht; de dag waarop hij, de man van Gallilea, verheerlijkt wordt. Hij kwam als baby in Bethlehem en vanaf de dag van zijn geboorte hebben de koningen van de aarde getracht hem het leven te benemen. God hield hem echter in de holte van zijn hand. De mensen noemden hem Jezus en zij noemden hem juist, want hij was gezonden om de verlorenen te zoeken en te redden.

En Jezus wies op tot mannelijkheid en was aan alle beproevingen en verzoekingen van de mensenkinderen onderworpen, opdat hij de lasten die de mensen moesten dragen, zou kennen en opdat hij zou weten op welke wijze hij hen zou kunnen helpen. Hij leefde in verre landen en door het heilige woord genas hij de zieken, wierp gevangenisdeuren wijd open en gaf de gevangenen de vrijheid, en overal werd hij uitgeroepen tot IMMANUEL (God in ons).

Maar de goddeloze mensen verachtten en verwierpen hem en met behulp van omkoperij bewezen zij, dat hij schuldig was aan een groot aantal overtredingen. En in de tegenwoordigheid van een menigte mensen, die mij nu horen, nagelden zij hem aan het kruis. Zij verzegelden hem met het zegel van de dood, maar de dood was veel te zwak om hem in de graftombe te kunnen vasthouden. Toen de onsterfelijke meesters zeiden: ADON MASHICH CUMI (Heer Christus herrijst), verbrak hij de banden van de dood en stond weer op tot leven.

Hij toonde zichzelf levend, niet alleen aan de leiders in Jeruzalem, maar tevens aan de velen in de verste delen van de aarde. En toen voer hij op tot de troon van God, voor verwonderde ogen van velen, die mij nu horen spreken, begeleid door een stoet hovelingen uit de engelenwereld. En hoog verheven zijnde, en ten volle de heilige adem ingeademd hebbende, ademt hij weer op ons, en daaruit vloeit voort wat gij nu ziet en hoort. Gij mensen van Israël, weet, dat God deze man van Gallilea, die gij miskend en gekruisigd hebt, verheven heeft tot Heer en Christus.

En toen zeiden de mensen: Wat moeten wij doen? En Petrus zeide: Deze heer Christus heeft ons uitgezonden om de poorten voor de morgenstond te openen. Door Christus mogen alle mensen binnen gaan in licht en leven. De Christus kerk staat op de grondstellingen, dat Jezus de geopenbaarde Liefde Gods is; dat liefde de redding van de mensenkinderen is. Deze Christus-kerk is slechts het koninkrijk van de Eén-Heilige in de ziel gemanifesteerd. Heden wordt de Christus-kerk geopend en wie wil mag binnengaan, en zal door de grenzeloze genade van Christus worden gered.

Het volk vroeg opnieuw: Hoe kunnen wij binnengaan, opdat wij deel mogen hebben aan de grenzeloze genade van Christus? En Petrus zeide: Bekeer u en laat u dopen en keer u af van de weg van de zonde en leid het leven dat diep verborgen is met Christus in God, en gij zult binnengaan en gered zijn.

En in één dag werd de Christus-kerk een machtige kerk; en Christus werd een machtig woord, dat de menigten in vele landen aangreep.

Bron: Het Aquarius evangelie van Jezus de Christus, hoofdstuk 182

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *