3 Het plan van Judas om Jezus te verraden volgens de kinderbijbel van Nita Abbestee

Het zou spoedig Pasen zijn. Dat feest werd in die oude tijden door de joden altijd plechtig gevierd. In grote getale kwam men dan naar de tempels om daar de diensten bij te wonen.

Deze keer echter verwachtte men dat vele duizenden naar Jeruzalem zouden komen omdat Jezus daar was. Overal in het land waren zijn wijsheid en kracht bekend geworden  en zeer velen hoopten, dat hij in de grote tempel tot hen spreken zou.

De overpriesters, schriftgeleerden en farizeeën voorzagen dat natuurlijk ook wel. En zij peinsden hun hoofd suf om een list te bedenken, waardoor zij hem nog voor die tijd gevangen konden nemen en doden.

Het gebeurde nu dat Jezus en zijn apostelen de middagmaal ging gebruiken bij een zekere Simon, die in Bethanië woonde. Terwijl zij daar met elkaar aan tafel zaten, kwam een vrouw binnen met een albasten kruik in haar handen. Zonder enige aandacht te trekken ging zij achter Jezus staan, brak de kruik open en goot voorzichtig en zorgzaam de zachte geurige olie over zijn hoofd.

Plotseling zagen de anderen wat zij deed! Sommigen waren zeer verontwaardigd en vonden het een verspilling van de kostbare olie. Zij mopperden hardop en zeiden tegen elkaar : ‘Zie eens aan, wat een onnodige geldverspilling! Die olie had wel driehonderd schellingen kunnen opbrengen om aan de armen te geven.’

Maar Jezus had hun half gefluisterde woorden heel goed gehoord en sprak: ‘Waarom mopperen jullie toch op deze vrouw! Laat haar haar gang gaan! Zij doet dit uit zorgzaamheid en liefde. Aan de armen kunnen jullie altijd zoveel geven als jullie willen, want de armen hebben jullie altijd bij je. Maar mij hebben jullie niet altijd bij je.

Hoort! Spoedig zal mijn begrafenis komen. Maar dan zal niemand in de gelegenheid zijn om mij te zalven. Daarom is wat deze vrouw deed als een voorbereiding op mijn begrafenis. En daarom, in alle tijden, zal de wereld weten wat deze vrouw aan mij gedaan heeft.’

Dit woord van Jezus wekte wel enige verslagenheid. En in het hart van een van de apostelen – Judas heette hij – kwam plotseling een vreemd, haast onbegrijpelijk plan op… Hij wilde Jezus uitleveren aan de schriftgeleerden!

Waarom wilde Judas dat? Sommigen zeggen, dat hij boos werd, omdat Jezus de geldverspilling verdedigde, en hij, Judas, het geld van de apostelen moest beheren. Anderen zeggen dat hij toegaf aan een boze opwelling.

Maar wij willen Judas op een heel andere manier bekijken. Hij was van de apostelen de meest aards-gerichte. Hij geloofde vast en zeker in het aanstaande koningschap van Jezus op deze wereld. Maar nu Jezus zo opeens en ronduit over zijn aanstaande begrafenis sprak, schrok Judas hevig. Dat kon niet waar zijn, meende hij. En plotseling wilde hij met de inspanning van al zijn krachten bewijzen dat Jezus hun koning zou worden en niemand dit kon verhinderen.

Men moest nu maar eens ophouden met Jezus te belasteren en hem te achtervolgen met allerlei listen en bedrog. Daarom, zo meende hij, als Jezus nu eens werkelijk gevangen genomen zou worden, zou God zelf, als door een wonder, hem uit de handen van zijn vervolgers bevrijden en hem op de troon plaatsen die hem toekwam.

Moest niet iemand daartoe de eerste stoot geven? Moest dat niet zo snel mogelijk gebeuren? Natuurlijk! En zo nam Judas het besluit zelf op te treden en niet langer op de omstandigheden te wachten.

Judas wilde op zijn manier zijn geloof in Jezus’ macht bewijzen. Hij wilde het koningschap forceren, dwingen, omdat hij meende handiger en doortastender te zijn dan alle anderen. Hij zou de wereld wel eens wat laten zien!

In een onbewaakt ogenblik verliet Judas het huis van Simon en ging naar de stad, naar de overpriesteres en de schriftgeleerden. En hij vroeg hun, wat het hen waard was, als hij Jezus in hun handen zou overleveren. Dit voorstel hadden de overpriesters en de anderen niet verwacht.

Op een bepaalde plaats in de heilige taal lezen wij, wat Judas hun vertelde: hij had, als beheerder van het geld, een lam gekocht dat, volgens de wet van Mozes, voor de paasmaaltijd geslacht moest worden. Maar Jezus had verboden het dier te doden. Want Jezus wilde niet dat enig schepsel door mensenhanden lijden zou.

Jezus noemde zichzelf het Paaslam, dat geslacht zou worden. Daarmee bedoelde hij niet dat het bloed van een weerloos dier de mensheid kon redden, maar dat de heilige krachten, die hij in zijn bloed meedroeg, voor de mensheid gestort zouden worden!

Hij wist dat Mozes de dierenoffers in vroeger tijden had toegestaan, omdat de meeste mensen uit die dagen andere offers nog niet konden begrijpen. De tijden waren echter veranderd. Daarom overtrad Jezus zonder enig bezwaar de oude wet.

Toch begrepen niet alle apostelen waarom Jezus zichzelf het Paaslam noemde. Vooral Judas vond deze ‘overtreding’ wel een reden voor de overpriesters om Jezus gevangen te nemen en te doden. Dat eiste de oude wet immers! En als het kritieke moment dan daar zou zijn, konden de mensen zien welk een wonder er ging gebeuren.Zo bouwde Judas voort aan zijn eigen plan.

De priesters, die al zo lang hun best deden om bij Jezus iets strafbaars te vinden, waren zeer verheugd met deze mededeling. Zij overhandigden Judas dertig zilverlingen, die zij hem voor zijn verhaal hadden beloofd en maakten samen met hem en een bevelhebber van de soldaten een plan om Jezus te overvallen en hem gevangen te nemen. Daarna keerde Judas naar de apostelen terug.

Er moet, na deze daad, wel een onbehaaglijk en schuldig gevoel in Judas’ hart zijn opgekomen. Hoewel hij Jezus lange tijd volgde en diende, waren zijn hart en hoofd echter nog zo verduisterd, dat hij meende dat het goed was, zoals hij had gehandeld. Dat wat met moeite is opgebouwd, het nieuwe, wordt vaak weer vernietigd doordat mensen menen het goede te doen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *