8 Jezus bij Pilatus, verhaal uit de kinderbijbel van Nita Abbestee

Heel vroeg in de morgen, nadat de haan gekraaid had, besloten de overpriesters en schriftgeleerden dat Jezus moest sterven, ook al konden zij niets slechts aan hem vinden of van hem bewijzen. Zij boeiden hem, alsof hij een misdadiger was, en brachten hem naar Pilatus, de stadhouder.

Evenals Petrus had ook Judas alles vanuit de verte gevolgd. Toen hij nu hoorde waartoe de priesters besloten hadden, en zag dat ze hem geboeid wegbrachten, kreeg hij opnieuw een ontzettend berouw. Dit had hij niet verwacht en ook zeker niet bedoeld!

Daarom ging Judas naar de overpriesters toe en wierp hun de dertig zilverlingen, die hij voor zijn verraad van hen ontvangen had, voor de voeten, terwijl hij uitriep: ‘Ik heb gezondigd! Onschuldig bloed heb ik verraden!’

Maar de overpriesters trokken hun schouders op en zeiden, half spottend: ‘Wat gaat ons dat aan? Dat moet u maar voor uzelf oplossen.’ Maar Judas keerde zich haastig om en zijn ik vond de dood.

Intussen had men Jezus voor Pilatus gebracht. Deze stelde hem zeer veel vragen, waarop hij of niet, of maar heel sober antwoordde. Ook hier kwamen weer vele lieden met alle mogelijke valse beschuldigingen aandragen, maar tot grote verwondering van de aanwezigen bleef Jezus volkomen rustig onder alles, wat men ook van hem vertelde.

Jezus bij Pilatus William HoleVoor hem echter betekende dit alles iets heel anders dan voor de anderen. Hij, de verheven goddelijke mens, die vrij was van alle persoonlijke leed en smart, maakte zo lang mogelijk gebruik van zijn aardse persoonlijkheid, om al zijn liefde, al zijn erbarmen daardoorheen te zenden tot de verblinde mensen.

En of zij hem nu bespotten en sloegen, of zij hem dachten te kwetsen en te beledigen, hij bleef ononderbroken zijn liefde naar hen uitzenden. Zij voelden zich overwinnaars. Zij vonden zichzelf slimme lieden, dat ze hem eindelijk in hun macht hebben. Maar ze hadden er geen flauw vermoeden van, dat het slechts zijn stoffelijke mantel was die ze voor zich zagen.

Alleen Pilatus, de stadhouder, had een vaag gevoel, dat hier een zeer bijzondere mens voor hem stond. Ja, misschien wel werkelijk Gods zoon. En omdat hij volstrekt niets strafbaars aan hem kon vinden, deed hij zijn best hem van de doodstraf te redden.

Maar de overpriesters lieten zich hun voornemen niet uit hun hoofd praten. Zij hadden het volk opgehitst, zodat het hen blindelings volgde. Dat maakte het voor Pilatus dubbel moeilijk. Toen hij lange tijd had aangezien hoe verheven en lijdzaam Jezus’ houding was tegenover alle smaad die de soldaten, de overpriesters en het volk hem aandeden, bedacht hij een laatste poging. Die zou slagen, meende hij!

Het was in die tijd de gewoonte op grote feestdagen een misdadiger uit de gevangenis vrij te laten. Nu had men enige tijd tevoren een zeer gevaarlijke misdadiger gevangen genomen, die de bevolking aanzette tot oproer en er niet tegen opzag mensen te doden. Barbaras heette hij. Alom stond hij bekend als een slecht mens.

Omdat Pilatus nu wist dat het gehele volk bang was voor deze man, wilde hij hen voor de keus stellen Jezus of Barabbas vrij te laten. De angst voor deze misdadiger zou hen zeker Jezus doen kiezen, dacht hij!

Maar de list lukte niet. Want het volk, misleid door de schriftgeleerden, overpriesters en Farizeeën, was volkomen verblind. En als uit één mond klonk de kreet: ‘Barabbas! Laat Barabbas vrij!’

Tot driemaal toe trachtte Pilatus het volk tot andere gedachten te brengen, maar zodra hij de naam Jezus noemde, schreeuwde het volk: ‘Kruisig hem! Kruisig hem! Laat Barabbas vrij!

13 Pilatus wast handen in onschuld William HoleHet was het laatste hulpmiddel dat Pilatus kon bedenken. Toen ook dit was mislukt, stond hij op en waste voor de ogen van de massa zorgvuldig zijn handen terwijl hij sprak: ‘Zie, ik was mijn handen in onschuld! Ik heb geen schuld aan zijn bloed, dat u wilt doen storten. U moet dan zelf maar zien, wat er van komt.’ Maar des te harder schreeuwde het opgewonden volk: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!’

Toen, zij het ook helemaal tegen zijn zin, gaf Pilatus Jezus over zijn vijanden. Maar nooit, al had hij nog zo zorgvuldig zijn handen gewassen, zou die loden last zijn hart verlaten.

Afbeeldingen: William Hole

Tekst: Jeugdbijbel van Nita Abbestee

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *