6 Jezus in de hof van Getsemane met Petrus, Johannes en Jacobus volgens de kinderbijbel van Nita Abbestee. Judas verraadt zijn heer.

Zacht sprekend liepen zij door de stille avond, tot zij bij een grote tuin kwamen, de Hof van Getsémané. Daar gingen allen binnen. Jezus verzocht de apostelen om dicht bij de ingang op hem te blijven wachten. Zelf wilde hij de hof nog verder binnengaan.

Alleen Petrus en nog twee anderen vroeg hij om met hem mee te gaan. Even later verzocht hij ook hen om achter te blijven en hij ging geheel alleen nog wat dieper de hof in. Daar vond hij voor zichzelf een plaats om tot zijn Vader in de hemel te bidden.

7 Jezus bidt in hof van getsemane William HoleHij bad innig en vurig dat hij toch tot het allerlaatste alles mocht doen, wat maar mogelijk was om de mensheid in de duisternis te helpen en te redden. En mocht het zo zijn dat hij toch niet machtig genoeg daartoe was, dan verlangde hij dat zijn goddelijke Vader hem voorbij zou zien om iemand anders, die machtiger en sterker was dan hij, te zenden om dit reddingswerk te voleinden.

Zo groot en volkomen was zijn liefde voor de hele mensheid, dat hij van zichzelf alles, alles wilde offeren om de mensheid te redden. En in volkomen overgave aan de wil van zijn Vader eindigde hij zijn bede met de woorden: ‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede!’

Toen stond hij op en ging naar de drie mannen die een eindje terug de wacht zouden houden. Hij wilde enkele dingen met hen bespreken. Maar … zij waren in slaap gevallen. Zij waren zich nog steeds niet genoeg bewust van het grote moment dat voor hun meester naderde.

En Jezus sprak op bedroefde toon tot Petrus: ‘Was het zo moeilijk voor je ook maar één uur met mij te waken? Bid dan om kracht opdat je, wanneer de moeilijkheden voor je groot worden, sterk genoeg zult mogen zijn!’

Toen keerde hij naar zijn eenzame plaats terug en bad nogmaals om het juiste inzicht, om de zo nodige kracht opdat, als dit werk door hem gedaan mocht worden, er niets verkeerd zou gaan. En weer eindigde hij met de woorden: ‘Vader, indien dit alles door mij gedaan moet worden: Uw wil geschiede!’

Daarna ging hij opnieuw naar de drie mannen en vond hen weer slapende. Maar hij wekte hen niet, want hij begreep dat zij nog niet in staat waren te beseffen wat hij doorleefde in dit uur.
Voor de derde maal trok hij zich in het diepst van de hof terug en voor de derde maal vroeg hij om alle Kracht, die hij nodig had om zijn grootse en geweldige taak tot het einde toe te volbrengen.

Toen daalde als een rijke zegen, als een stroom van licht en liefde de kracht van de Vader van de mensen op hem neer. Jezus had zijn gehele geheiligde microkosmos, zijn goddelijke ziel en zijn onsterfelijke persoonlijkheid volkomen overgedragen in de handen van zijn Vader.

Niets, maar dan ook niets kon hem meer deren. Het was slechts het voor de mensen zichtbare lichaam, waaraan men zich nog zou kunnen vergrijpen, omdat men meende, dat hij dat zelf was. In werkelijkheid echter was dat stoffelijke lichaam het machtige instrument geworden, waarmee hij tot het allerlaatste moment zijn Liefde aan de mensen kon brengen.

Tot het allerlaatste ogenblik zou hij zo, als voorbeeld voor allen, zijn kruisgang kunnen voortzetten. Want het machtige werk, dat Jezus de Heer op zich genomen had, reikte niet tot aan het einde van zijn zichtbare leven in de stof, maar ver daaroverheen – tot aan de uitredding van de allerlaatste broeder of zuster.

Toen Jezus nu volkomen rustig heenging en zijn drie vrienden weer slapende vond, sprak hij vol mededogen: ‘Slaap nu maar en rust….’

Dan, heel in de verte, werd de stilte van de nacht verbroken door een dof gerommel. Het leek een vaag kletteren van wapens en gedreun van vele voetstappen. Even later, toen het geluid duidelijker werd, sprak Jezus tot de drie mannen:  ‘Zie, het uur is nabij gekomen! De Zoon van de Mensen wordt overgeleverd aan de handen van de zondaren. Kom, sta op en laten wij hen tegemoet gaan. Hij die mij overlevert, is nabij!’

Geschrokken en haastig stonden de mannen op. Maar het was al te laat om nog iets te kunnen voorkomen! De gehele hof was reeds vol lawaai van een grote menigte mannen die daar binnenkwam. Een troep soldaten, met zwaarden gewapend, ging voorop. En achter hen kwam allerlei volk met stokken en knuppels in de hand, alsof een stel gevaarlijke misdadigers moest worden gepakt!

Toen kwam uit de menigte Judas naar voren. Hij trad op de meester toe en kuste hem, zoals dat toen in die landen de gewoonte was bij en begroeting, en sprak: ‘Wees gegroet, meester!’ Want dit was het teken, dat hij met de bevelhebber van de soldaten had afgesproken. Jezus keek hem aan. Zijn blik drong door tot in het diepste van Judas’ ziel,  toen hij vroeg: ‘Vriend, wat doe je hier? Verraad je je meester met een kus?’

8 Judas verraadt Jezus William HoleWat een wanhoop, wat een volslagen wanhoop moet zich van Judas hebben meester gemaakt, toen hij de gevolgen van al zijn overwegingen zag. Tegen beter weten in had hij tot het laatste moment nog gehoopt op een wonder … Maar nu was het onherroepelijk te laat. Nu moest alles zich voltrekken, zoals Jezus al meer dan eens voorzegd had. Maar Judas had het nooit willen geloven…..

Want zie, daar traden de soldaten op Jezus toe. Zij grepen hem vast met ruwe hand, terwijl de menigte schreeuwend en dreigend naar voren kwam. Plotseling drong het grote gevaar waarin de meester verkeerde in volle omvang tot Petrus door. En, impulsief als hij was, nam hij onmiddellijk een zwaard en sloeg er mee om zich heen, waardoor hij bij een slaaf van de hogepriester een oor afsloeg.

Maar Jezus sprak hem bestraffend toe  en zei: ‘Breng je zwaard weer op zijn plaats terug, Petrus! Want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan. Of wat denk je? Zou ik niet mijn Vader kunnen aanroepen en zou Hij mij dan niet terstond twaalf legioenen engelen zenden om mij te verdedigen, als dat nodig was? In de geschriften van oudsher staat echter steeds vermeld, dat dit alles juist zó moet geschieden.’

Daarop raakt hij het hoofd van de slaaf aan en het oor genas op hetzelfde moment. Jezus de Heer wenste niet, dat terwille van hem iemand ook maar enig letsel zou worden aangedaan.

Daarop wendde hij zich tot allen die hem hadden aangegrepen en sprak: ‘Alsof ik een rover was, zo bent u allen tegen mij uitgetrokken met stokken en zwaarden. En terwijl ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt u mij nooit aangegrepen. Maar zie, nu is het nacht en heerst de macht van de duisternis. Maar dit alles geschiedt, opdat de schriften van de oude profeten in vervulling gaan.

Nadat hij deze woorden had uitgesproken, verlieten alle discipelen hem en vluchtten. Zij vluchtten niet omdat zijn hun meester opeens niet meer zo liefhadden, maar omdat zij zich op dit moment volkomen onmachtig voelden om maar iets in zijn belang te doen. Voor hem vechten mochten ze niet. Dat hadden ze, na de daad van Petrus, wel begrepen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *