Rijmende spreuken over de innerlijke versterving van Angelus Silesius, het endura volgens Johannes Scheffler (1624-1677)

Wie zich het pad ten hemel klaar heeft voorgetekend,
heeft met de wereld en zichzelven afgerekend.

Het is nu eenmaal eis, het schepsel te verzaken,
als men de Schepper tot zijn één en al wil maken.

Een hemelzoekende is dood voor deze aarde.
Waarom? Hij leeft slechts voor zijn Schepper, die hem baarde.

Wanneer de hemel niet de grond van heel uw wezen zij,
dan gaat (geloof dat vast!) de hemel u voorbij.

Men hoeft geen kijker, om de hemel in te staren;
keer u van d’aarde af, gij zult hem binnenvaren.

Meet niet de hemelbaan met sterrenjaar bij-jaar;
één enkle schrede slechts, en dan zijt gij eeds daar.

Verlies u zelf, mijn kind, dan wordt gij God gelijk,
en vindt reeds hier op aard’ de rust van ‘t hemelrijk.

De liefde dezer aard moet steeds in droefheid enden,
dus moet uw hart zich slechts tot d’eeuwge schoonheid wenden.

Als God de vuurvlam is, dan is uw hart de gloed,
waarin het hout der ijdelheid verteren moet.

Hoe meer een mens zich hecht aan tijdelijk’ eer en goed,
hoe minder heeft hij tot de eeuw’ge dingen moed;
hoe meer hij echter zich op de eeuwige richt,
hem meer valt ‘t afstand doen van ‘t tijdelijke hem licht.

Verkoopt al wat gij hebt, opdat gij alles wint;
verlies vrij wat gij straks toch honderdvoud hervindt.

Mag maar mijn eigen ik verdampen en vervlieten,
dan zal Godzelf in mij zijn Godheid overgieten.

Zoveel mijn eigen ik verschrompelt en verschroeit,
zoveel Gods Ik in mij ontluikt en schoon ontbloeit.

Gij wordt het meest verhoogd door uwe nietigheid;
hoe groter nietigheid, hoe groter zaligheid.

Ga uit, zo gaat God in, sterf, en dan leeft g’in God,
wees niets, en Hij is iets, doe niets, gij doet ‘t gebod.

Wie reeds zijn ziel verloor, kan zich toch nooit beklagen,
als hij daarom met God een weddenschap durft te wagen.

De hoogste vrede, dien de ziel ooit kan verwerven,
ligt daarin dat zijn wil in ‘s Heren wil mag sterven.

Wie niets meer heeft, niets weet, niets mint en niets verwacht,
die heeft, weet en wenst toch meer nog dan hij dacht.

God is niet hier of daar; wie Hem begeert te vinden,
late zich hand en voet en ziel en lichaam binden.

Hij die zichzelve niet de lust tot zien verbiedt,
wordt eind’lijk gans verblind en ziet zichzelve niet.

Zie wat gij niet kunt zien, g a waar gij niet kunt gaan,
hoor aan wat stemloos is, dan zult gij God verstaan.

Geloof m’o vriend, de ziel, die waarlijk niets meer hoort,
die hoort in elk geluid de klank van ‘t eeuwig Woord.

Denkt gij aan God, Zijn stem klinkt in uw oor,
zwijg gij eerbiedig stil, dan spreekt Hij na en voor.

Niets ligt het zozeer als eenzaam zijn en stil zijn,
derhalve moet dat ook, zover ik wil, mijn wil zijn.

Hebt gij uw wil gedood en gans in God verstild,
Zo staat God u ten dienste en doet al wat gij wilt.

Dit is het leven niet, dat gij in God een plaats krijgt,
maar dat Godzelf als sap des levens  in u opstijgt.

Mens., als gij nog wat haat, wat mint, wat zijt, wat weet,
voorwaar, dan zijt gij nog zeker niet zonder lust of leed.

Zie, ieder ding is ‘t uw, en dus: ontbreekt u iet,
dan kent gij nog voorwaar uw eigen rijkdom niet.

Mens, wacht u voor uzelf, want eens daarmee beladen,
zult gij uzelve meer dan duizend duivels schaden.

Vriend, mijdt wat gij bemint, verwerp wat gij verkoost,
want ander wordt gij nooit verzadigt en vertroost!

Hoe menigeen had nu de eeuw’ge vreugd verworven,
was hij maar op zijn tijd aan d’eigen lust gestorven!

Ontzeg g’uzelf de lust tot een of ander ding,
dan wordt het u meteen verwerp’lijk en gering.

Wie alles stil aanvaardt wat hem ten dele viel,
bewaarde in lief en leed het evenwicht der ziel.

Wie God in als Zijn doen van harte loven kan,
die is reeds hier op aard een zeer gelukkig man.

Verkrijg het al uit God wat uwe ziel begeert;
Verkrijgt gij ‘t buiten Hem, dan wordt g’er door verteerd.

De hemel maakt mij rijk; dat is een rijke man,
die al wat hij bezit gerust verliezen kan.

Wie waarlijk arm is, wil met niets door ‘t leven gaan;
bood God hem ook Zichzelf, hij nam ‘t geschenk niet aan.

Gelatenheid is goed, maar zelfs God los te laten,
is een gelatenheid, die vele mensen haten.

Het licht geeft allen kracht, Godzelf leeft in zijn schijn,
maar was hijzelf geen vuur, ‘t zou ras verdonkerd zijn.

Phoenix spreuk van Angelus Silesius

Ik wil een phoenix zijn, en gans door vuur vergaan,
opdat er niets meer tussen mij en God moog’ staan.

Bron: ‘De hemelse zwerver’ van Angelus Silesius, vertaald en ingeleid door Hilbrandt Boschma

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *