Symboliek van ‘leven’ en ‘dood’ op de mysterieweg van mysteriescholen

In de mysteriescholen wordt de weg die de leerling moet gaan vaak beschreven met behulp van de beelden van leven en dood. Deze symboliek wordt echter voor twee heel verschillende aspecten van de mysterieweg gebruikt. Het is goed deze beide hier zo duidelijk mogelijk vast te stellen.

In het eerste geval heeft de symboliek van leven en dood betrekking op het ware zelf, dat in de mens aanvankelijk onbewust en onwerkzaam is, op het programma van de Geest dus. Als de Geest in de mens onbewust en onwerkzaam is, dan is de ware mens volgens de terminologie van de mysteriescholen dood.

Het komt er nu op aan hem weer tot leven te wekken. Dat is alleen mogelijk door de weg van de mysteriën. Enerzijds moet de kracht van de Geest op de innerlijke ‘dode’, ofwel de sluimerende Godsvonk inwerken.
Het licht van de Geest moet binnen kunnen stromen en de innerlijke mens verlichten. Daardoor wordt het programma van de Geest bewust en werkzaam, en de ware mens ‘staat op’ .

Anderzijds moet ‘de onware mens’, de ik-centrale mens, die gericht is op de zinnen- en schaduwwereld, plaatsmaken, zodat de ware mens op kan staan. Ook op dit tweede aspect van de mysterieweg, het plaatsmaken van de ik-centrale mens kan de symboliek van leven en dood in de mysteriescholen betrekking hebben. Het terugtreden en minder worden van de onware mens wordt namelijk vaak als sterven aangeduid.

Slechts door de dood van de onware mens kan de ware mens opstaan. De dood van de onware mens wil zeggen: het verbreken van de knellende binding met het eerste en het tweede programma, dat wil zeggen het loskomen van de wereld van de vergankelijkheid en de wereld van karma.

De mysterieleerling ervaart deze verbreking als een sterven, als een dood. Want de zekerheden die hij tot op dat moment had, verdwijnen, zijn ik-centraliteit, die altijd zijn identiteit bepaalde, wordt ondermijnd. Alleen op die manier kan het programma van de Geest bewust en werkzaam worden.

De mysterieleerling ervaart het bewust en werkzaam worden van dit programma als een nieuw leven, dat oprijst onder de puinhopen van het oude vandaan. Zijn oude identiteit wordt vervangen door een nieuwe, waarvan de basis altijd al in hem aanwezig was.

Door de dood van de onware mens wordt de ‘doodstoestand’ van de ware mens opgeheven. De dood van de onware mens is de voorwaarde voor het leven van de ware mens.

Welk van deze processen het eerst komt en het andere bepaalt, valt niet te onderscheiden. De beide processen zijn met elkaar verweven. Het sterven van de onware mens is echter slechts mogelijk als de ware mens tot leven komt.

Het is dus omgekeerd ook zo dat het tot leven komen van de ware mens voorwaarde is voor het sterven van de onware mens. Want het door ik-centraliteit bepaalde bewustzijn van de mens kan zich niet in het niets oplossen. Het kan alleen verdwijnen als er iets anders – de ware mens –   voor in de plaats komt.

Dat kunnen ook krachten van het tweede programma zijn, die zijn plaats innemen: krachten uit de wereld van de doden, de demonen en het noodlot. Dan ontstaan er toestanden van krankzinnigheid.

Wanneer men de weg van de mysteriën gaat, zijn het krachten van het programma van de Geest, die de plaats van de onware mens innemen. Slechts dan leidt het sterven van de onware mens tot een toestand die aan de eigenlijke bestemming en het echte geluk van de mens: de opstanding van de ware mens.

Tekst : ‘Mysteriescholen’ van Konrad Dietzfelbinger

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *